maandag 6 april 2015

In deel 2 hadden we het over de ring van vuur. Deze ring zorgt voor een goede overgang naar dikkere brandstof. Maar het begint bij het onsteken van de tondel.

Wat is tondel ?
Tondel is niets anders dan makkelijk ontvlambaar materiaal waarmee we succesvol naar de volgende stap kunnen. Het initiële onsteken van de tondel kost veel energie. Je zult dus materiaal nodig hebben wat die energie makkelijk op kan brengen. Bijna altijd is hier een bewerking voor nodig.

Tondel moet je dus optimaliseren om te kunnen onsteken. Daarnaast is er een verschil tussen kunstmatige- en natuurlijke tondel.

Voorbeelden van kunstmatige tondel; vaseline-watten, kaarsvetschijven, kaarsvet-jutte, wetfire, esbitblokjes, (BBQ)dragongel, (m)ethanolhouders.

Wetfire heeft een houdsbaarheiddatum
Het is zeker raadzaam om een zakje met kunstmatige tondel mee te nemen. De vuurzekerheid is een belangrijk onderdeel binnen bushcraft en survival.

Als aanbeveling en de goedkoopste optie kies ik zelf voor vaseline-watten. Een potje vaseline kost 4 euro en een zak katoenen watten 2 euro. Dit gaat zeker een paar maanden mee. Smeer en kneed de vaseline in de watten en deze zullen ongeveer 5 minuten branden. Zelfs in nat weer. Bewaar ze in een afsluitbaar zakje. Voor gebruik even iets uit elkaar trekken, zodat de vezels blootliggen. 



Natuurlijke tondel.
Berkenbast bevat een natuurlijke olie, alleen met een aansteker kun je deze direct aansteken. Dit is direct vuur. Hars van dennen en -sparren is zo'n andere mooie natuurlijke brandstof. Met iedere andere vorm van ontsteken moet je zorgen voor het vormen/de aanwezigheid van fijne vezels.

TIPS voor natuurlijke tondel:

  • Bushcraft is verzamelen. Kijk om je heen voor tondel terwijl je loopt.
  • Zorg dat de tondel echt droog is. Tondel uitslaan en het liefst van plekken van de grond en waar de zon op schijnt.
  • In vochtige omstandigheden de verzamelde tondel in je zak tegen het lichaam bewaren. Je lichaamswarmte zorgt voor droging.
  • Controleer de vochtigheid tegen je wang, vocht=koud droog=warm.
  • Droog hout geeft een duidelijk krakend geluid.

Voorbeelden van natuurlijke tondel; lissdoddesigaar, zadenpluis, bruine grassoorten/planten, vezelige binnenbast, droge bladeren/bloemen, gedroogde paddestoelen, berkenbast, fatwood (lighter pine).

Pluizen van de lisdodde en zaden zul je moeten combineren met twee handen vol fijne houtkrulletjes en/of plantenvezels van diverse grootte, aangezien de pluis zeer snel brand (als een flits).

Indien je voldoende materiaal hebt gevonden, wordt het tijd voor een vogelnestje. Soms heb je mazzel en dan vind je letterlijk een verlaten vogelnestje :-)

Vogelnestje, let op de gebroken vezels.
Draai het tondelmateriaal in een bol (met pluis niet goed mogelijk). Bewerk het voor enige minuten in een donutvorm. Kneed en draai het materiaal totdat de vezels vrijkomen zoals op de foto. Zoals je ziet is het nestje ongeveer net zo groot als een open hand. Nog zo'n bol als reserve te houden bij de aanmaak is zeker aan te bevelen.



Indien geen droge tondel.
Feathersticks zijn dan een prima alternatief, maar het maken is bewerkelijk. Dus eigenlijk pas een echt alternatief als er niets anders te vinden is. Voor een goede start zijn eigenlijk een goede serie van zeer fijne krullen opvolgend naar grote krullen nodig. Snij minimaal vier feathersticks met een bos flinke krullen (twee vuisten tegen elkaar). Dit geeft genoeg tijd om op een rustige manier de volgende stap uit te voeren. Ontsteken doen we dan bij de zeer fijne krulletjes.

TIP voor feathersticks:

  • Een goed scherp mes.
  • Snij veilig (Dus niet leunend op het bovenbeen !).
  • Snij eerst een flauwe hoek na het verwijderen van de (natte) bast, gooi het schaafsel niet weg !
  • Snij in drie hoeken, punt naar iets beneden, punt evenwijdig, punt iets naar boven. Hiermee krijg je drie feathers naast elkaar.
  • Snij de feathers zo dun mogelijk.
  • Feathers die eraf vallen kun je gewoon gebruiken.

Feathersticks met fijne krullen.
One-Stick-Fire
Een one-stick-fire is niets anders dan dat je de brandstof wat in de ring van vuur valt uit één stok/dikke tak haalt. Je verwerkt dan het materiaal van klein (tondelkrulletjes) tot groot (dikker dan duimdikte) om een vuur te maken. 


Welk hout ?
Om te beginnen met een vuurtje (in theorie) heb je ander hout nodig dan als het vuur goed heet is. In de praktijk zul je gewoon hout nemen wat in de omgeving voorhanden is.

Iedere houtsoort heeft andere eigenschappen. Dit heeft te maken met de leefomgeving, maar ook met de soort. Een berk bevat natuurlijke oliën. Dennen en sparren bevatten goed brandbare harsen. Deze houtsoorten vallen niet onder de hardhoutsoorten. Ze branden dus kort en fel, net als elzen en esdoorn. Ideale starters om een vuur mee aan te maken dus. Beuken, essen en eiken zijn wel hardhoutsoorten. Dus ideaal om te branden als het vuur goed heet is. Hardhoutsoorten branden lang en heet, maar zijn moeilijker op gang te krijgen. Er zijn ook houtsoorten die je maar beter niet kunt gebruiken. O.a. kastanje (brand slecht), taxus (knettert en giftig), larix, iep (moet echt goed droog zijn), linde (alleen tussen andere soorten). Overig bomen zijn de middelmaat.

Met de amerikaanse vogelkers gaat er een fabeltje rond over giftigheid. De giftigheid zit in het sap, bladeren en bast. Deze giftigheid is veel minder indien droog en wordt afgebroken door het vuur. Het kan dus prima gebruikt worden voor een kampvuur.

Zorg dat je brandhout gespleten is. Ongespleten hout zal moeilijker branden.
Denk aan de veilig-vuur-voorschriften en leave-no-trace.


In deel 4...
Deel 4 zal gaan over de diverse soorten vuur die je kunt bouwen.



dinsdag 17 maart 2015

Iedere goede instructeur kan wel 30 pagina's vol over vuur schrijven. Laat ik verder gaan met het tweede deel. Even nog een kleine terugkoppeling naar de theorie, naast de vuurdriehoek is er een ring van vuur. In deze ring van vuur bevindt zich de volgorde van onsteking tot opéénvolgende brandbare materialen.

De ring van Vuur.
Natuurlijk zijn de maten afgeleid van het menselijk lichaam. Dit om in het veld makkelijk de benodigde materialen te vinden. Na de polsdikte kan men grotere stammen gebruiken, het vuur is dan klaar (lees heet genoeg) voor grotere stukken hout. Verwerk deze grotere stukken tot maximaal onderarm-lengte. Dit stelt je in staat het hout met weinig moeite te kloven (met een kleinere bijl).

Afhankelijk van de brandstof kun je het vuur feller maken of meer rustig. Indianen gebruiken bijvoorbeeld stompjes (stamzijde) van de grotere takken van de den/sparren/pijn-bomen. Deze stompjes zijn vaak voorzien van ophopingen van hars (lighter pine of fatwood), waardoor het vuur feller brandt. Je kunt dus stappen overslaan als je een verbeterend element gebruikt in je brandstof. Door veel te spelen in verschillende omstandigheden ontwikkel je gevoel voor vuur....



Gereedschappen.
Het gereedschap stelt je in staat het brandbare materiaal te verwerken tot een optimale maat. Naast logisch nadenken (hersenen) zijn je handen de basis voor het verwerken. Belangrijk is om deze handen goed te beschermen. Goede handschoenen behoren zeker tot het basispakket.

Rundlederen handschoenen
Goede sterke handschoenen van runderleer, vuurbestendig (potje of pannetje van het vuur mee halen) en bescherming tegen de bekende prikkers zoals doornen en stekels die er niet doorheen komen. Ook voor het versjouwen van kwarrels, dikkere stammetjes en stenen. Dunne handschoenen zijn niet bestand tegen de prikkers en kunnen minder goed tegen hitte, maar kunnen zeker afdoende zijn. All personal preference....




Enzo Trapper full-tang

Een goed scherp mes is een onmisbaar stuk gereedschap voor de bushcrafter. Ook voor het maken van vuur, bijvoorbeeld voor het maken van feathersticks of batonnen van kleinere stukken hout. Neem bij voorkeur hiervoor een full-tang mes bij het batonnen (het lemmet loopt geheel door naar het einde van het handsvat).



Bahco Laplander
Sinds niet al te lange tijd is een inklapzaag een standaard stuk uitrusting geworden. Neemt weinig plaats in, veilig en is verrassend efficiënt.

Voor al het gereedschap geldt, als je het gereedschap goed verzorgt, is het ook goed voor jou. Scherp houden, schoon en droog opbergen.

Voor de meer traditionele bushcrafter is er een bucksaw. Oftewel een spanzaag. De spanzaag is zwaarder en neemt meer ruimte in beslag dan de klapzaag. Een spanzaag zaagt wel sneller en grotere stammen, je scoort absoluut extra punten voor stijl...

Een goede bijl (geen klusmarktbijl) is je grote vriend bij het maken van de diverse dikten hout. Splijten, afkorten en ontbasten gaat snel en efficiënt. Ook deze dient scherp te zijn. Het gebruik van de bijl vereist wel een veiligheidsinstructie. Deze kun je volgen op Het Bushcraftweekend (stichting Bushcraft) of bij veel survival- c.q. bushcraftscholen.

Ik heb veel mensen de bijl op een verkeerde manier zien gebruiken. Met gevaar voor vingers, knieën, voeten en schenen. Het is een krachtig stuk gereedschap wat respect vereist (net als een mes). Maar veilig, in geoefende handen, zeer bruikbaar.

Ook zonder gereedschap kun je een eind komen. Dikke kwarrels kun je breken tussen twee nabij staande bomen, met een hefboomtechniek. Splijten gaat helaas een stuk moeilijker zonder gereedschap !

Nu we weten welke gereedschappen nuttig zijn voor het verwerken van hout gaan we naar het volgende hoofdstuk.

Onstekingsmiddelen.
Middelen waarmee we onze tondel kunnen ontsteken. Denk hierbij aan vergrootglas, aansteker, lucifers, firesteel, mag-bar, vuurslag met vuursteen.

Een populair onstekingsmiddel is de firesteel. Een firesteel werkt altijd, nat of droog. De firesteel geeft een groot aantal zeer hete vonken af bij het schrapen. Waardoor fijne houtkrullen ontsteken en vlam vatten. Een aansteker werkt meestal niet wanneer deze nat is (maar is nog steeds de eenvoudigste methode en mijn eerste keuze om een vuur aan te maken). Lucifers zijn nat en bij koude niet je grote vriend.

Dan wordt al snel duidelijk waarom een firesteel een uitstekend middel is om je tondel te ontsteken. Draag deze op de man op een manier dat je deze niet kunt verliezen. Met een mini karabiner en koord aan de broek bijvoorbeeld.

De Mag-Bar wie kent hem niet. De voorloper van de firesteel en voor velen nog steeds de eerste keus. Vervelend is dat er inmiddels een aantal vervalsingen op de markt zijn, die slecht of totaal niet werken. Ze zijn bijna niet van de echte te onderscheiden. De meeste vervalsingen hebben een hoge metaalglans als ze uit de verpakking komen of de stift laat los, daarnaast altijd de 'Made in China' markering. Het metaal is veel harder en de schraapsels ontsteken niet. Koop ze dus bijvoorbaat van een gerenommeerd merk. Een reden des te meer van te voren te oefenen met je materiaal !

Neem daarnaast tenminste nog twee bruikbare ontstekingsmiddelen in je vuurkit mee. Bijvoorbeeld een aansteker en een reserve firesteel. Mocht de aansteker nat zijn, kun je altijd terugvallen op de firesteel. Een vuurkit dien je altijd met backup uit te voeren.
Mag-Bar made by Doan, matglans.
Een andere leuke maar minder betrouwbare manier is een vergrootglas. Het vergrootglas heeft nog twee andere sterke eigenschappen nodig. Een sterke zon en een vergroting van tenminste vijf keer. In het zuidelijker van de aardbol volstaat drie keer, maar voor de zekerheid raad ik toch tenminste vijf keer aan. De freshnel-lens is (credit-card formaat) een aardig alternatief die weinig ruimte inneemt, daarnaast is een lens ook handen om splinters (ehbo) te verwijderen of gewoon leuk om een plantje of insect beter te bekijken.

De traditionele manier (let op die punten voor stijl) is met vuursteen en vuurslag. Voor deze methode is ook een medium nodig. Dit medium moet altijd voorgebrand of vergast zijn, wat meestal in een blik gebeurd met een klein luchtgaatje. Het medium kan katoen zijn (neem niet te dun katoen), vermolmd hout of zelfs jutte. Voorkom dat het katoen verbrand bij het maken (als er geen rook meer uit het gaatje komt is het klaar). Wat ook kan is lampkatoen met een verbrand randje. Zorg wel voor honderd procent katoen. Katoen met kunstvezels werkt niet goed. Een oud t-shirt, laken of spijkerbroek kun je hier goed voor gebruiken.

Een goed gebruik is als het blikje bijna leeg is een nieuwe voorraad charcloth (voorgebrand katoen) of charred punkwood (voorgebrand vermolmd hout) te maken.

Vuurslag-setje met blikje



Whats next...

In deel 3 gaan we de tondel en hout behandelen..

zondag 1 maart 2015

Vuur maken is iets waar ieder mens zich tot aangetrokken voelt. Vuur heeft namelijk naast een functioneel onderdeel, het biedt immers warmte en een gelegenheid tot het bereiden van voedsel en veilig drinkwater, ook een aantal psychologische functies; veiligheid, gevoel van huiselijkheid, gezelligheid en innerlijke rust. Vuur fascineert. Vele mensen zijn "vuurkijkers" en volgen de dansende vlammen.

Je kunt dus stellen dat het maken en vooral het hebben van vuur een belangrijk onderdeel is binnen het (over)leven van de mens, dus ook bij survival en bushcraft. Vele volken stellen dat zonder een vuur er geen huiselijkheid is. Het maken van een vuur is dus het eerste wat men maakt voordat men het kamp opbouwt. Een verblijfplaats moet dus naast een veilige plek voorzien in voldoende brandbaar materiaal.

De vuurdriehoek
In dit deel wil ik het hebben over de theorie achter het vuurtje. Het volgende deel zal dieper ingaan op het onderdeel vuur.

Wat is nodig voor een vuur ?

  • Brandbaar materiaal
  • Zuurstof (lucht)
  • Bepaalde hoeveelheid warmte wat het brandbare materiaal kan ontsteken.

Haal één van deze essentiële onderdelen weg en je zult zien dat de driehoek verbroken wordt. Resultaat is dat er geen vuur ontstaat.


Brandbaar materiaal.
Het materiaal wat goed te onsteken is en voldoende hitte creëert voor een doorlopende onsteking. Het materiaal is onderdeel van de "ring van vuur". De ring van vuur bestaat uit de verschillende stages die nodig zijn om een "goed" vuur te maken. Een goed vuur is een doel op zich; even een kopje thee of koffie maken, of een vuur wat je de hele nacht warm houdt ?

Laten we even de ring van vuur ontleden: 
onstekingsmiddel -> tondel -> luciferdikte -> potlooddikte -> wijsvingerdikte -> duimdikte -> polsdikte.


De ring vertelt ons dat een geleidelijke opbouw van dikte ons een goed vuur oplevert. Het vuurtje geeft ons een onstekingsmiddel om meer vuren aan te maken, vandaar de naam ring van vuur.


Onstekingsmiddel.
Lucifers, aansteker, firesteel, magnesiumbar, charcloth icm vuurslag/vuursteen, kooltje van vuurboog, vuurploeg, vuurpomp, etc.



Tondel.
De tondel kan zowel natuurlijk zijn, als bewerkt, denk aan: droog gras, lisdoddesigaar, schraapsel van hout, feathersticks, berkenbast, vaselinewatten, kaarsvetwattenschijven, fatwood, BBQ-aanmaakblokjes, BBQ-firegel, etc, etc.
Een open plek met zon en veel wind geeft droge tondel van natuurlijk materiaal.
Indien men natuurlijk materiaal gebruikt, kneus het matriaal in diverse richtingen, zodat vezels naar buiten komen, indien mogelijk meng het met grove en minder grove soorten. De opstaande vezels vatten namelijk het eerst vlam. Voor feathersticks, probeer deze zo dun als mogelijk te snijden.


Hout.
De rest van de ring bevat hout in de diverse diktes van een bomen en struiken.
Luciferdikte, van takjes, alsmede potlooddikte. Wijsvingerdikte wordt soms samengevoegd met de duimdikte, toch is het een dikte die bij wat vochtiger hout niet moet worden overgeslagen. Hierna komt de polsdikte. Als de polsdikte goed brandt kun je grotere delen op het vuur gooien.

Vocht in het hout.
Een vochtig weertype brengt dus kleinere stappen en vooral geduld met zich mee. Vocht zorgt ervoor dat de hitte niet snel genoeg opkomt, omdat men eerst het vocht moet verdampen. Dit resulteert in een zeer langzaam opkomend vuur. Zorg voor tondel en hout in de eerste fasen dat goed droog, dus goed brandbaar is. Hout droogt in de lucht en goed met een zonnetje. Dus geen takjes van de grond, maar dode takken. Voor het vuur gebruik je dode bomen die staan of van de grond af liggen. Groen hout is alleen geschikt om te snijden en boven een vuur iets te roosteren. Afhankelijk van de soort duurt het ongeveer 1 maand per cm dat hout droogt, mits gekloven.

Droge takjes hoor je echt knakken. Dikkere takken kun je tegen je wang aanhouden, voelt deze koel dan is deze niet droog genoeg, voelt deze warm dan is deze goed om te gebruiken.


Welk hout.
Niet iedere houtsoort is even goed. Sommige soorten branden snel en fel. Berk is een boom die natuurlijke olie bevat welke snel brandt. Den en spar bevatten veel harsen die zeer brandbaar zijn. Dit zijn bijvoorbeeld ideale starters, om daarna over te gaan op langzaam brandende soorten zoals o.a. es, beuk en eik. Vermijdt taxus, kastanje en populier. Iep en els is ideaal als mix hout, dus als het vuur al lekker een kolenbed heeft. Kloof je dikkere hout altijd, dit komt de brandbaarheid ten goede. Ook droogt het zo sneller, de schors en bast is een goede beschermer tegen vocht van buitenaf, maar houdt vocht binnenin ook goed vast.


Vuurveiligheid.
Veiligheid rondom een openvuur, of zelfs met een brander, is vaak een ondergeschoven kindje. Veeg bladeren en takken rondom weg, tot op de kale ondergrond, één meter vanaf de rand van het te maken vuur. Kijk of er geen wortelen van bomen en struiken liggen. Kijk uit voor droge turfachtige grond (deze kan ondergronds branden). Vooraf opzoeken of er geen droogtecodes zijn afgegeven. Op de website http://www.natuurbrandgevaar.nl kun je dit controleren. Zorg voor blusmiddelen (zoals water en zand) en houdt je vuurplek netjes. Geen spullen waarover je kunt struikelen, stapel hout netjes op. Als laatste maak een proportioneel vuur, dus voor een maaltijd geen twee meter hoog vuur maken. Vergeet niet na het vuurplekgebruik deze netjes volgens "Leave no trace" achter te laten!



Kookvuur.
Koken doe je eigenlijk op de kooltjes en niet direct in de vlammen. Dit omdat het koken op vlammend vuur een oncontroleerbaar resultaat geeft (Schuif eventueel wat kooltjes apart om op te koken of bakken). Met uitzondering van het koken van water. Het roosteren van vlees en vis moet rustig gebeuren. Een pan verdeelt de hitte, echter een direct vuur niet. Een truukje wat ik gebruik is je hand bij de kooltjes te houden, als ik deze 4-5 tellen op die plek kan houden voordat mijn hand te warm wordt, is deze plek goed om vlees of vis te roosteren. Dit kost wat meer tijd, echter voorkomt een zwarte kraaklaag, droog of oneetbaar voedsel. Kampvuurkoken is een leuke bezigheid en is een hobby opzich.

Tip.
Het herkennen van bomen helpt het juiste hout voor je kampvuur te selecteren.
Op de website http://www.bomengids.nl kun je leren deze te herkennen.

De volgende keer in deel 2.
In deel 2 vertel ik meer over de volgende fasen en gereedschap wat je helpt om een goed vuur te maken.


zaterdag 6 december 2014

Kent u het gevoel? Door het  bos lopen, maar alles lijkt ééntonig. Even de hond uit laten. Zijn plasje laten doen en snel weer naar binnen. Ploffend in de stoel voor de TV, dan zeggen dat u buiten bent geweest.



Wat heeft u dan gezien? Bent u bewust van waar u zojuist voorbij bent gelopen? Heeft u wel goed rond gekeken? Wat heeft u gemist?

Groen is goed voor u. Groen is ontspanning. Groen moet. Allemaal termen die u bewust moet maken om vooral te genieten van groen. Genieten kan in vele vormen. Ik zou zeggen, vooral niet vergeten gebruik te maken van al uw zintuigen, nieuwsgierigheid, inlevings- en denkvermogen.

U kunt uw geest openen voor alles om uw heen. Doe dit eens voordat u het bos of park binnenloopt.

  1. Sta stil en sluit uw ogen voor een tweetal minuten.
  2. Luister goed naar de geluiden om u heen.
  3. Probeer geuren op te vangen.
  4. Kijk goed om u heen, naar boven in bomen,struiken, beneden, links en rechts. Maak eventueel foto's met uw smartphone van bijzonderheden.
  5. Stop elke 50 meter en herhaal vanaf stap 2.

Zoek deze bijzonderheden thuis dan eens op, wat heeft uw gezien, gehoord of met de neus opgevangen? Laat u eens verwonderen door uw groene omgeving. Reken maar dat uw eventuele kameraad er ook blij mee is.



Dus naar buiten....gebruik uw zintuigen !


zondag 18 mei 2014

Wolkewietje, de grote vriend van Pinkeltje. Het mannetje wat in de wolken leefde.
Eerlijk gezegd heb ik hem nooit kunnen ontdekken en Pinkeltje liet het ook al afweten.

Al die uren naar boven kijken heeft toch wel iets opgeleverd. Namelijk een tick van heb ik jou daar. Iedere ochtend moet ik even naar de lucht kijken om te bepalen wat het weer vandaag gaat worden. Meestal moet je dan denken aan regen of geen regen.

Voor de buitenmens is dit een  must. De inschatting welke jas en trui, of toch alleen het T-shirt. Toch maar boven in de rugzak ? Poncho mee ( vooral in de kano handig) ?
Eigenlijk kick ik op het tot nu toe behaalde resultaat. 80% van de dagen heb ik goed voorspeld, inclusief of het 's middags pas ging regenen of sneeuwen.

Ook dieren en insecten geven vaak een goede hint, wat er in de verwachting zit. Zoals muggen en vlinders, meeuwen en de zwaluw. Paarden die met de oren wapperen. De zon geeft ook nog wel eens een aanwijzing (avondrood en ochtendrood). Denneappels die met regen dicht gaan.

Laten we het nu eens hebben over de wolken (of gebrek aan), die ons aardig wat kunnen vertellen over het komende weer. Allereerst wat zijn wolken nu eigenlijk ?

"Een wolk is in de aardse atmosfeer een op het oog samenhangende verzameling van merendeels zwevende waterdruppeltjes of ijskristalletjes of een combinatie hiervan. De waterdruppeltjes en ijskristalletjes ontstaan door condensatie of verrijping van onzichtbare waterdamp daar waar de relatieve luchtvochtigheid boven de 100% is gekomen."- volgens Wikipedia.

Die wolk is vervolgens onderhevig aan temperatuur, zon, wind, luchtdruk en luchtvochtigheid. Hierdoor neemt een wolk verschillende vormen en hoogtes aan. Zou je dan op deze natuurwetenschappelijk eigenschappen wolken kunnen indelen ?
Volgens mijnheer Luke Howard wel, die is in 1783 begonnen met het bijhouden en indelen (kwam later) van de wolken. Nog steeds maken meteologen gebruik van deze indeling.

Deze classificaties zijn opgemaakt in het latiijn. Allereerst wordt bij de indeling onderscheid gemaakt wordt tussen "gelaagde" bewolking en "stapelwolken". Gelaagde bewolking wordt ook wel "stratiform" genoemd vanwege de vaak grote horizontale uitgestrektheid van de wolk en gaan in de naamgeving vergezeld van de term "stratus". Voorbeelden hiervan zijn Cirrostratus, Altostratus, Nimbostratus en Stratus; deze bewolkingstypen zijn in het algemeen achtereenvolgens zichtbaar tijdens de passage van een warmtefront.

Stapelwolken daarentegen worden wel "cumuliforme" bewolking genoemd omdat dit type bewolking zich hoofdzakelijk in verticale richting uitstrekt; in de naamgeving is dit terug te vinden in de term "cumulus" (ophoping). Wolkennamen met cumulus erin zijn bijvoorbeeld: Cumulus, Cumulonimbus, Altocumulus en Cirrocumulus. Wolken met een verticale ontwikkeling zijn altijd wolken met neerslag. Hoe 'vochtiger' de wolk des te lager deze wolk zweeft. Echter het is afhankelijk van diverse factoren wanneer deze neerslag wordt losgelaten.



Wolkenkaart - KNMI

Soms zijn ze wit, doorzichtig of donkergrijs, hoe kan dit? Dit heeft te maken met de reflectie en verstrooiing van de waterdruppels of in de altostratus c.q. cirrostratus ijskristalen. Indien de zon direct op een wolk schijnt zal deze wit zijn. Wordt dit licht al eerder een andere kant op gereflecteerd dan kan de wolk 'donker' worken. Dit gebeurd bijvoorbeeld door een overhangende wolk, of gewoonweg omdat de wolk heel dicht en groot is. Er dringt minder licht door de wolk.

Wanneer laat een wolk zijn neerslag los? Zijn de aangegroeide ijskristalletjes en de druppels op een gegeven moment groot genoeg dan wordt het te zwaar (zwaartekracht) en vallen ze. Er ontstaat dan wel neerslag. Het landschap heeft ook invloed op de wolken, zoals rivieren, zee en bergen. Als een wolk 'over' een berg wordt geblazen zal de wolk neerslag loslaten om te stijgen. Vaak verliest een wolk boven water ook zijn neerslag.

Een andere indicator is de wind, vlak voor slecht weer gaat een opkomende wind aan neerslag of onweer vooraf. Vogels en andere zoogdieren zoeken dan ook alvast een 'veilig' heenkomen. Insecten vedwijnen onder het bladerendek van bomen en struiken.
a
Wolken Determinatie Schema
Hier boven een handig hulpje om de juiste wolken te omschrijven.


Dus naar buiten...wolken kijken !



Neem een kleed mee naar het park of weiland. Druk het wolkenkaartje af en het wolken determinatie schema. Pet en eventueel zonnebril. Blocknote en een potlood. Beschijf welke wolk je ziet en op welke hoogte, ziet dit eruit als een regenwolk ? Wordt het weer beter, onveranderd of juist slechter binnen 24 uur? Teken de wolk.  Misschien zie je Wolkewietje wel....ZZzzzzzzzzz




Bron:

Wikipedia - http://www.wikipedia.nl
Kees Floor - http://www.keesfloor.nl/cursus/iedereen.htm
Meteo Julianadorp -  http://www.meteo-julianadorp.nl
KNMI - http://www.knmi.nl









zondag 20 april 2014

Zoals met veel organismen is het bepalen van de soort afhankelijk van unieke en een combinatie van eigenschappen. Deze eigenschappen noemen we determinatiesleutels.

Veel paddenstoelen worden gedetermineerd aan de hand van macroscopische bijzonderheden. Die we dus met het oog of klein loepje kunnen waarnemen. Bij planten is dit niet anders. Voor de flora hebben biologen gekozen voor indeling op basis van de bloem en/of vrucht.

Wat hebben we nodig om een wilde bloem (plant) zo goed mogelijk te determineren:

- Juweliersloep of sterke gewone loep.
- Lineaal.
- Geduld.
- Boek met duidelijke deteminatiesleutels.
- Een notitieblokje met potlood en gum.
- Verschillende plekken met veel variatie in planten.

Het juweliers-loepje.

Een ideaal loepje om details te kunnen waarnemen die belangrijk zijn om een juiste deteminatie.
10-20x vergroting is meestal afdoende. Neem bij voorkeur een loepje waarvan het occulair gemaakt is van glas. Een plastic occulair is meestal wat onzuiverder rond de buitenrand en minder duurzaam.





Een lineaal die een stootje kan hebben.
Metaal, met duidelijke afmetingen. Een gleuf in het midden is handig on planten netjes in het midden te houden. Echter zo'n gleuf het is een "nice to have" en geen must.

In principe voldoet een plastic lineaal, echter het "werken" in het veld vereist meestal een stevige uitvoering. Niets is vervelender als je materiaal het begeeft tijdens een onderzoek ver van huis.

Wilde bloemengids van Capitool, deze compacte gids is een plezierige gids om wilde bloemen mee te determineren.
Duidelijke beschrijvingen en een snelle indeling maakt deze veldgids erg plezierig.

In principe is het geen waterdicht systeem om op kleuren te determineren. Longkruid heeft er nog al eens een handje van om na bezoek van insecten de bloem van kleur te laten veranderen. In theorie zou je dan kunnen misdetermineren.

Om toch snel en niet te ingewikkeld de juiste naam bij het plantje te krijgen is het toch "betrouwbaar" genoeg. Als je maar in het achterhoofd houdt dat er uitzonderingen zijn en de lijst niet volledig is.

De veldgids Nederlandse Flora van Henk Eggelte is wat minder compact en heeft een nieuwe, maar volledige determineer methode. Het toepassen van de sleutels vereist wat oefenen. Begin dan met bekende planten, zodat je op een goede manier bekend raakt met de sleutels.

De volledige flora beschrijven merk je ook in het formaat en gewicht. Deze gids werkt niet met de kleuren of geeft je niet veel informatie. De informatie is zeer beperkt tot het determineren. Voor extra informatie zul je andere bronnen moeten raadplegen.

Desondanks steek ik deze maar wat graag in mijn rugzak. Het extra gewicht en beperkte info neem ik voor lief.




Het notitieblokje is natuurlijk wel logisch, je ontdekking moet opgeschreven worden met de nodige kenmerken en wat je opgevallen is aan de plant. Waarom een potlood? Omdat een potlood altijd schrijft. Een pen laat het nog wel eens afweten in het veld. Neem een notitieblokje die je makkelijk kunt omslaan.

Waar moet je op letten ?

Zoals de kop al zegt zijn een aantal kenmerken belangrijk. Wat vooral vergeten wordt is de plaats waar de plant groeit. Kijk naar de grond; zand of klei, licht/schaduw, nat/droog. Zo zul je zien dat iedere soort een voorkeur heeft, of juist geen voorkeur heeft. Bij bloemen is de kleur niet zoveel zeggend, de kleur is vaak wel belangrijk voor insecten. Een insectensoort wordt aangetrokken tot een bepaalde kleur. Een insectensoort heeft dus ook waardplanten. Waardplanten zijn dus planten waar de insect voedsel kan krijgen of kan gebruiken voor de voortplanting. Bij een vlinder is dit bijvoorbeeld heel goed te zien.

Het volgende schema laat zien hoe een volledige (perfecte), tweeslachtige of een hermafrodiete bloem is opgebouwd uit de bloemdelen. Van buiten naar binnen (dus van onder naar boven) zijn te onderscheiden:

9. de bloemstengel
3. de bloembodem
de bloembekleedselen (perianth) of het bloemdek (perigonium), bestaande uit
8. kelkbladen (sepalen)
5. kroonbladen (petalen)
4. de meeldraden (androecium) bestaande uit helmdraad en helmhokjes
2. het vruchtbeginsel (gynoecium) (met 1 of meer zaadknoppen)
7. de stamper - bestaande uit
1. stijl en
6. stempel

De vorm van de steel of tak, bladstand en de vorm van de bladeren. Behaard of onbehaard, de steel rond, gegroefd of vierkant.


Dus.... naar buiten. Wilde planten zoeken....



Bron vermelding: Bloem wikipedia.

zondag 9 maart 2014

In dit deel zal ik andere sporen behandelen dan prenten. Hierbij moet dan gedacht worden aan uitwerpselen, braakballen, vraatsporen, wissels, gedragssporen en verblijfssporen (nesten, legers en holen). Als voorbeeld neem ik in dit geval een bever.

De bever heeft namelijk als nadeel dat zijn staart veel van zijn prenten uitwist bij het verplaatsen. Een mooie (volledige) prent van een poot zul je dus zelden tegenkomen.
Je zult het dus via andere aanwijzingen moeten vaststellen. Wat wel herkenbaar is, zijn de 'speelplaatsen' van een bever, zijn burchten en zijn legers. Een bever verblijft niet alleen in zijn burcht, maar ook regelmatig in een leger. Dit is niets anders dan een verscholen kuil, meestal gevuld met plantenresten zoals riet of gras, liefst uit de wind.

Typische landing- en vertrekplaats
Links ziet een u een typische "landing - en vertrekplaats", het riet is geweken en is inmiddels voorzien van een modderige glijbaan. De glijbaan gaat precies tussen het opstaande riet door.

Het is duidelijk te zien dat dit een 'hotspot' is om bevers waar te nemen. Het riet is flink platgewalst. Bevers zijn vooral in de ochtend en tegen de schemer waar te nemen. Natuurlijk is een foto- of cameraval ook een optie om de bevers te spotten. 


Een bever moet constant kragen aan bomen en takken om zijn snijtanden optimaal te houden. Door te knagen blijven deze zo scherp als beitels. Dat knagen doet de bever het liefst in wilgen, berken- en populiersoorten. Dit zijn overwegend zachte houtsoorten.

Omgeknaagd en aangevreten

Hier zijn de vraatsporen goed te zien. De boom is omgeknaagd en aangevreten. Meestal gaat dit gepaard met houtsnippers rondom de knaagplek. Toch eet de bever niet alleen schors. Het dieet van de bever is zeer divers, in de winter is het overwegend schors, boomwortelen en twijgjes, in de lente en zomer schakelt de bever over naar kruiden, wortels, bloemen, jonge scheuten van diverse waterplanten en grassen. Zo'n speelplaats verandert in korte tijd in een plek met korte scherpe stammetjes zoals op de volgende foto te zien is. Dit duidt er op dat de bever deze plek waardeert om te foerageren en bouwmateriaal te verzamelen voor zijn te bouwen dam of burcht. Vreemd is wel om te zien dat niet alles is meegenomen, zou de bever selectief zijn in 'geschikt hout' ?




De stammetjes met de bekende schuine punt.
In veel gevallen is een bever niet gebonden aan één stuk water. De bever zal altijd zijn territorium willen uitbreiden en zal hierdoor zelfs korte afstanden over land lopen naar het volgende water. Getuigen hiervan zijn de vele wissels die we zijn tegengekomen in de Bieschbos. De wissels liepen zelfs gedeeltelijk over de voetpaden door het gebied. Een aantal van deze wissels zijn we afgelopen. Hier een foto van een wissel die een aanzienlijk stuk door het riet gemaakt is.



Het volgen van een wissel


Hier lopen we een wissel af (mijn zoon met een spottingscope op zijn schouder) om te volgen waar deze naartoe leidde. De lengte van zo'n wissel is in dit geval een 21 meter vanaf de 'speelplaats' tot aan het pad. Na een stuk pad dook er weer een wissel op naar het volgende water van ongeveer 10 meter. Het platgewalst- en geweken riet, tussen de bomen door, met uiteindelijk de modderige glijbaan het water in. Door het gras en riet waren er geen duidelijke prenten, maar door de overige sporen hebben we wel kunnen vaststellen wat voor diersoort het was.

Een burcht of een dam hebben we niet gevonden helaas. Anders was het avontuur mooi afgesloten.

Dus... naar buiten.. bevers zoeken.






Subscribe to RSS Feed Follow me on Twitter!